Glaskunst St.-Antoniuskerk

De glaskunst wanden van de hoofdkerk van de St. Antonius zijn van de priester-kunstenaar Egberts Dekkers (1908-1983) uit Zeeland (N.-Br.), en zijn vervaardigd in 1962. Hij studeerde aan de Rijks-academie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. De uitgebeelde tafrelen zijn gebaseerd op het laatste boek uit de bijbel: de Openbaringen van Johannes. Daarnaast is er een glas-in-loodraam achter het priesterkoor van <naam>. <meer info>.

Onderstaande tekst is overgenomen uit een publicatie na de opening van de nieuwe St.-Antoniuskerk in 1962.

Deze Openbaring van Johannes heeft als stijlvorm het genre van de apocalyps. De bedoeling van zo’n apocalyps is om de gelovige minderheid te vertroosten in de verdrukking die zij ondervindt van de officiële machten van de wereld. Ook temidden van tegenwerking mogen de christenen weten dat Gods Koninkrijk in hun leven reeds begonnen is, en dat zij de uiteindelijke voltooiing ervan mogen verwachten bij de wederkomst van Jezus. “Ik, Johannes uw broeder en uw deelgenoot in de verdrukking en in het koninkrijk (van God) en de verwachting van Jezus.” (Openb. 1,9) Dat is het bemoedigende refrein van de apocalyps: de machten van kwaad en geweld zullen nooit het laatste woord hebben. Dat laatste woord berust bij God, de enige Heer van mensheid en geschiedenis. Ondanks alle tegenwerking zal God zijn plan verwezelijken: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar God zal wonen temidden van zijn volk (Openb. 21,1-3). Dat plan van God wordt nu onthuld in de symbolische taal van het boek Openbaring. Deze symbolen zijn mede ontleend aan de andere bijbelse geschriften en zijn daarom slechts te ontcijferen door de gelovigen. Voor hen is immers het boek ook bedoeld.

Enkele taferelen uit het boek Openbaring zijn in de ramen van de kerk verwerkt.

 

Aan de noordkant van de kerk (links als u de kerk binnenkomt) ziet u van achter naar voor:

 

openb_2_7_grootDe Geest van God, als vuur en wind, waaiend waarheen Hij wil. “Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de kerken zegt…” (Openb. 2,7)

 

 

 

 

 

 

openb_2_17_grootEen figuur met in zijn hand een steen met het Christus-teken. In de slip van de mantel liggen andere stenen: hierop staan onze namen. God kent ons persoonlijk. “Wie overwint, hem zal ik geven… een wit steentje en daarop gegrift een nieuwe naam, die niemand kent dan hij die hem ontvangt.” (Openb. 2,17)

 

 

 

 

 

 

 

openb_8_4_grootDrie figuren, die zich in hun verdrukking tot Gosd wenden. In het midden een biddende mens met de handen omhoog. Rechts een wenende vrouw met tranen. Door de paars-blauwe figuur links wordt het brandoffer tot voor Gods troon gebracht.  “En de rook van het reukwerk steeg met de gebeden der heiligen uit de hand van de engel omhoog voor het aanschijn van God.” (Openb. 8,4)

 

 

 

 

openb_16_1_grootEen pan met vuur, die vanuit de hemel over de aarde wordt uitgegoten. Dit steld Gods toorn voor, die de machten van het kwaad te lijf gaat. “En ik hoorde een luide stem, die vanuit de tempel de zeven engelen toeriep: ‘Gaat heen, giet uit op de aarde de zeven schalen van de toorn Gods!'” (Openb. 16,1)

 

 

openb_12_1-10_grootDe strijd tussen licht en duisternis, tussen God en satan. Aan de kant van God staan de Vrouw (Maria, die tevens het symbool is voor het hele godsvolk) en het Christuskind,  ondersteund door de aardsengel Michael, linksboven hen. “En er verscheen een groot teken aan de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Zij was zwanger en kreet in haar weeën en barensnood. Toen verscheen aan de hemel een andere teken: Een grote, vuurrode draak. hij had zeven koppen en tien horens, ewn op elke kop een diadeem. En zijn staart vaagde een derde deel van de sterren des hemels weg en wierp ze op de aarde. En de Draak stond voor de vrouw die zou baren, om zodra zij gebaard had, haar kind te verslinden. En zij baarde een kind, een zoon, die alle volken zal weiden met een ijzeren staf. En haar kind werd ijlings weggevoerd naar God en zijn troon. En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft door God bereid. Toen brak e in de hemel een oorlog uit. Michael en zijn engelen moetern oorlogen tegen de Draak… En de grote Draak werd neergeworpen, de oude Slang, die Duivel en Satan heet, die de hele wereld verleidt… En ik hoorde een stem in de hemel roepen: ‘Nu is gekomen het heil en de macht en het koningschap van onze God en de heerschappij van zijn Christus…'” (Openb. 12,1-10)

 

openb_19_11-16_kleinChristus als koninklijke ruiter op een paard, met als wapen het zwaard van Gods woord in de mond, en met als titel: “rex regum”:  Koning de koningen. “Toen zag ik de hemel open, en daar was een wit paard, en zijn Berijder heet “Getrouw en Waarachtig”. (…) En zijn naam luidt: “Het Woord Gods.”(…) Uit zijn mond komt een scherp zwaard dat de volken zal slaan (…) En op zijn mantel en op zijn dij staat een naam geschreve”: “Koning der koningen en Heer der heren.”(Openb. 19,11-16)

 

Aan de zuidkant van de kerk (rechts als u de kerk binnenkomt) ziet u van achter naar voor:

 

openb_4_1-8_grootOp het grote raam ziet u God, met zijn alziende oog en zijn besturende vinger, op de troon, omgeven door zijn in harmonie herstelde schepping. “Daarna had ik een visioen. En zie: er stond een troon in de hemel en op de troon was Iemand gezeten. En Die erop gezeten was, was van aanzien gelijk jaspissteen en karneool. En rond de troon was een regenboog, helder als smaragd.
Van de troon gingen bliksemstralen uit en dreunende donderslagen. En zeven vurige falkkels brandden voor de troon; dit zijn de zeven geesten Gods. En voor de troon was als een glazen zee, kristal gelijk. En rondom de troon waren vier dieren, bezaaid met ogen voor en achter. En het eerste dier geleek op een leeuw en het tweede op een jonge stier en het derde dier had een gelaat als van een mens en het vierde dier geleek op een adelaar in zijn vlucht. En de vier dieren hadden elk zes vleugels; rondom en van binnen zijn zij met ogen bezet. En zij roepen zonder rusten dag en nacht: “Heilig, heilig, heilig Heer, God, Albeheerser, die was en die is en die komt.” (Openb. 4,1-8)

 

openb_5_1-7_grootChristus het (Paas-)lam van God, die gestorven is (open borst) en weer leeft in kracht (zeven horens en ogen). Door zijn dood en verrijzenins wordt het verzegelde boek met Gods plannen geopend en gerealiseerd. “Toen zag ik de rechterhand van Hem die op de troon is gezeten, een boekrol, beschreven van binnen en van buiten, en vergezeld met zeven zegels. En ik zag een machtige engel, die riep met luide stem: “Wie is waardig het boek te openen en zijn zegels te vebreken?” Maar niemand in de hemel of op de aarde of onder de aarde was bij machte het boek te openen en te lezen. En ik weende zeer omdat niemand waardig werd bevonden het boek te openen en te lezen…
Toen zag ik tussen de troon met de vier dieren en de kring van de oudsten een Lam staan, als geslacht, met zeven horens en zeven ogen – dit zijn de zeven geesten Gods, uitgezonden over heel de aarde. En Hij kwam naderbij en nam het boek uit de rechterhand van Hem die op de troon is gezeten. (Openb. 5,1-7)

 

openb_8_5_grootHet vuur van het altaar, waarop geofferd wordt. “Daarna nam de engel het wierookvat, vulde het met vurige kolen van het altaar.” (Openb. 8,5)

 

 

 

 

 

 

openb_5_8-10_grootHet koor van de vierentwintig oudsten (presbyters) die een priesterlijke hulde brengen aan Christus, het Lam Gods. “En toen het Lan het boek genomen had, vielen de vier dieren neer voor het Lam; en ook de vierentwintig oudsten, elk met een citer in de hand en met gouden schalen vol reukwerk – dat zijn de gebeden aan de heiligen. En zij zongen een nieuw lied: “Waardig zijt Gij het boek te nemen en zijn zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt hen gekocht voor God met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie. En Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk van priesters en zij zullen heersten op aarde.” (Openb. 5,8-10)

 

 

 

 

priesterkoor